Miljoenen woningen in Nederland zijn matig tot slecht geïsoleerd. Veel daarvan zijn gebouwd in een periode dat isolatienormen nog niet bestonden of minimaal waren. Ontdek de cijfers, en of uw woning erbij hoort.
Naar schatting zijn 4 tot 5 miljoen van de circa 8 miljoen woningen in Nederland matig tot slecht geïsoleerd. Dit betreft vooral woningen uit de bouwperiode 1920–1985. Circa 2,5 miljoen woningen hebben een volledig ongeïsoleerde spouwmuur. Circa 1,5 miljoen woningen hebben geen dakisolatie. Ongeveer 4 miljoen woningen hebben geen of onvoldoende vloerisolatie. Woningen met energielabel D of lager, circa 2,5 miljoen, worden als slecht geïsoleerd beschouwd.
Een woning wordt als slecht geïsoleerd beschouwd wanneer de isolatiewaarden van de gebouwschil ver onder de huidige nieuwbouwnormen liggen. Concreet betekent dit: een spouw zonder vulling (Rc < 0,5 m²K/W), een dak zonder of met minimale isolatie (Rc < 1,5 m²K/W), een vloer zonder isolatie (Rc < 1,0 m²K/W) of enkel glas. Woningen met energielabel D, E, F of G vallen doorgaans in deze categorie.
De bouwperiode is de belangrijkste voorspeller van de isolatiekwaliteit van een woning.
Het percentage slecht geïsoleerde woningen verschilt per woningtype. Rijtjeshuizen uit de jaren 60–70 vormen de grootste groep. Portiekflats uit dezelfde periode zijn eveneens vaak slecht geïsoleerd, maar hier zijn de isolatiemogelijkheden soms beperkter (bijv. bij gezamenlijke gevels of daken). Vrijstaande woningen hebben het grootste besparingspotentieel per woning, maar vormen numeriek een kleinere groep.
Het energielabel geeft een indicatie van de isolatiekwaliteit. Van de circa 8 miljoen woningen in Nederland heeft naar schatting 30 tot 35% label A of B (goed geïsoleerd), circa 25% label C (gemiddeld), en circa 35 tot 40% label D of lager (slecht geïsoleerd). De categorie D-of-lager omvat circa 2,5 tot 3 miljoen woningen, dit zijn de woningen met het meeste besparingspotentieel.
Slecht geïsoleerde woningen hebben hogere energiekosten (€500–€1.500 per jaar meer dan goed geïsoleerde woningen), een lager wooncomfort (koude tocht, koude vloeren, condensvorming) en een lagere woningwaarde. Daarnaast dragen ze bij aan de nationale CO₂-uitstoot. De energietransitie maakt het urgenter om het woningbestand te verduurzamen, isolatie is de eerste en meest kosteneffectieve stap.
Woningen uit de bouwperiode 1920–1985 die sindsdien niet of minimaal zijn gerenoveerd, zijn vrijwel zeker matig tot slecht geïsoleerd. Tekenen: koude binnenmuren in de winter, zichtbare condens op de muren, tocht langs de vloer of ramen, en een hoge gasrekening. Vraag een gratis inspectie aan om zekerheid te krijgen, onze specialist beoordeelt de isolatiekwaliteit en adviseert over de meest effectieve maatregelen.